Een reisverhaal van Arita Baaijens
| Gouden bergen Het was opwindend te bedenken dat we eigenlijk in een schatkamer liepen, al had je daar vanwege de grimmige, sombere bergen wat fantasie voor nodig. Grijs kroeshaar, tot op de draad versleten kleren, met touwtjes bij elkaar gehouden slippers, alles was oud en versleten aan de nomade. Ook het gevlochten leren koord en de geitenleren waterzak die hij bij zich had. Zijn spullen zagen er armoedig uit, maar hij wist tenminste water uit de put omhoog te halen. Er stond zo weinig water in dat mijn onbuigzame emmer telkens leeg boven kwam. De waterput lag aan de rand van een ontoegankelijke bergwoestijn in het noordoosten van Soedan, tegen de grens met Egypte. De bergen vormen het thuisland van de Beja, ongenaakbare en ruig uitziende types met grote bossen kroeshaar. De kamelennomaden moesten niet veel van vreemdelingen hebben was me verteld, ze zouden onze aanwezigheid waarschijnlijk tolereren, maar meer ook niet. Ik kon de Beja geen ongelijk geven. Door buitenstaanders te weren behielden ze de zeggenschap over hun gebied. Dat de nomaden al meer dan vierduizend jaar in hun isolement konden volharden, dankten ze aan het ondoordringbare karakter van de streek. Hoge granieten bergen schermen het binnenland af van de Rode Zee en een waterloze woestijn vormt een natuurlijke barrière tussen de Nijl en het hart van Bejaland. Met een archeoloog en drie kamelen was ik vanuit een dorp aan de Nijl naar de bergen getrokken om te speuren naar verlaten goudmijnen van Egyptische farao's. Op een oude kaart stonden vindplaatsen aangegeven, ze lagen in hartje Bejaland. Waterputten waren op de kaart als blauwe stippen ingetekend, maar al bij de eerste waterbron ging het mis. Volgens de kaart moest de put in een bocht liggen van een zijtak in een kilometers brede wadi. Die wadi hadden we gevonden, maar waar was de zijtak? Was het de reep zand met groene acaciabomen waar we langs liepen? Of moesten we uitkijken naar een rivierbedding met grind, of naar een ondiepe vallei met wat struikjes? Laat in de middag hoorden we zacht gemekker van onzichtbare geitjes. We dwaalden eindeloos tussen struiken en acaciabomen, we riepen en schreeuwden, maar er kwam niemand te voorschijn, hoewel de herder ons al lang moest hebben opgemerkt. Het was om gek van te worden. De Beja lieten ons waarschijnlijk aanmodderen in de hoop dat we zouden omkeren als de nood te hoog werd. Maar terugkeren ging niet, ons water was op. De geur van smeulend houtvuur redde ons uit de penibele situatie. Voor de opening van een hut in stekelig struikgewas hield een oude vrouw een kookvuur gaande. Om haar knokige lichaam droeg ze een doek die tot draden was versleten. Ze keerde haar gezicht naar ons toe, maar vroeg of zei niets. Haar vinger wees naar een kom water aan haar voeten en vervolgens in de richting van de put. We zouden de put zeker hebben gemist als we de man met het grijze kroeshaar niet in de buurt van het water hadden aangetroffen. In de weken die volgden bleven ontmoetingen met Beja een zeldzame gebeurtenis. Af en toe dook een silhouet op in de verte, maar zodra we dichterbij kwamen was de gestalte verdwenen. Pas toen we dieper de bergen in kwamen kruisten nomaden ons pad. Toeschietelijk waren ze nooit. Hoogstens een paar woorden konden eraf, meestal om koffiebonen of suiker te vragen, daarna maakten ze zich uit de voeten. Na een reis van enkele weken, en koortsachtig zoeken naar waterputten, bereikten we het gebied waar de mijnen zich moesten bevinden. Zwarte ongenaakbare heuvels vulden de ruimte tot aan de horizon. Struiken, bomen en mensen waren verdwenen. De kamelen stapten voorzichtig over ruwe stenen paadjes waar lang, lang geleden ezels liepen, beladen met manden vol goudklompjes of steengruis waaruit goud werd gewassen. Op afbeeldingen in Egyptische koningsgraven is te zien hoe dat gebeurde. Het gruis werd op schuinstaande stenen platen gewassen, waarbij de zware gouddeeltjes achterbleven in uitgehakte richels. Van gesmolten goud maakte men ronde staven waar de farao's sieraden van lieten maken, of bladgoud waar meubels mee werden bekleed. De dode Toetankamon lag in een sarcofaag van puur goud, de doodskist woog meer dan honderd kilo. Al deze rijkdom was vergaard in de bergen die ons omringden. Het was opwindend te bedenken dat we eigenlijk in een schatkamer liepen, al had je daar vanwege de grimmige, sombere bergen wat fantasie voor nodig. Het pad dat we met veel giswerk hadden gevonden, leidde door een nauwe kloof die dood leek te lopen. Maar gelukkig volgde na elke bocht een nieuwe, alleen was het vanwege de eindeloze draaiingen en wendingen onmogelijk te voorspellen waar de kloof eindigde. Opeens slaakte de archeoloog een triomfantelijke kreet. Hij liep voorop en had de uitgang bereikt. Op een open en zonovergoten plek lagen her en der ronde maalstenen en aan de voet van een heuvel ontdekten we stenen fundamenten van hutten waarin arbeiders hadden geslapen of gewerkt. Een dam van rotsblokken blokkeerde een smalle geul waarin regenwater van de berg afstroomde, het water had een dikke laag leem achtergelaten. Verdwaasd lieten we de kamelen lopen en inspecteerden hutten en maalstenen. Onze ogen speurden naar werktuigen waarmee rotsen werden uitgehakt. Een in tweeën gebroken steen bleek een aambeeld om rotsblokken te kraken. De stukjes werden tussen stenen schijven tot poeder vermalen. We vonden een nog bijna gave maalsteen: twee enorme ronde schijven met in de bovenste gaten houten pinnen die het ronddraaien vergemakkelijkten. De zon kleurde oranje toen ik aan het einde van de dag de grootste heuvel in de omgeving beklom. Op de top kroop een verkoelende wind onder mijn kleren. Beneden slingerde een ezelkaravaan door de kloof. De bergen weerkaatsten hamer- en tikgeluiden en overal zag ik vuren branden. Hier, boven op de berg, omringd met vergezichten, speelde ik heel even voor god. Een god die moeiteloos terugreisde in de tijd. |
Aan de informatie in deze artikelen en verhalen kunnen geen rechten ontleend worden.